ECLI:NL:RBDHA:2025:13110

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.30293
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser, een Marokkaanse vreemdeling, tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser had het beroep tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding naar aanleiding van vermeende mishandeling door een medewerker van het detentiecentrum.

Tijdens de zitting trok eiser zijn beroepsgronden met betrekking tot het redelijk vermoeden van illegaal verblijf en het zicht op uitzetting in. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was, gelet op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De vermeende mishandeling kon niet worden vastgesteld, mede door een intern onderzoek dat geen onregelmatigheden vond.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet detentieongeschikt was en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30293

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1987 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser zijn beroepsgronden ten aanzien van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en het zicht op uitzetting op zitting heeft ingetrokken.
3. Eiser voert aan dat verweerder heeft moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is op 9 juli 2025 door een medewerker in het detentiecentrum mishandeld. Hij heeft hiervan melding gemaakt bij de directie. De directie heeft de gemachtigde van eiser op 15 juli 2025 per mail geïnformeerd hierover. De directie is, na een intern onderzoek te hebben verricht, tot de conclusie gekomen dat zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan. Eiser zal nog aangifte doen en bestrijdt het standpunt van de directie.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, welke niet zijn betwist, feitelijk juist zijn en voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hoewel de rechtbank het betreurt dat eiser mishandeld zou zijn, kan op dit moment niet worden vastgesteld dat dit door toedoen van een medewerker van het detentiecentrum is gebeurd. Daarnaast is uit intern onderzoek van het detentiecentrum gebleken dat geen onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Indien eiser het niet eens is met het handelen van medewerkers in het detentiecentrum, dan kan hij hiertegen aangifte doen en/of op grond van de Pbw [2] een klacht hierover indienen. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
5. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Penitentiaire beginselenwet.