De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige vanwege ernstige zorgen over diens ontwikkeling en onveilige thuissituatie. Ondanks ondertoezichtstelling en betrokkenheid van de gecertificeerde instelling (GI) bleven de zorgen bestaan, met name over verwaarlozing, gebrek aan structuur en stagnatie in ontwikkeling. De Raad stelde dat de situatie onvoldoende was verbeterd en dat de minderjarige niet naar school ging.
De GI en de vader gaven aan dat er een goede samenwerking was en dat stappen waren gezet richting dagbesteding en school, met een positieve ontwikkeling. De GI vond de opvoedomgeving bij de vader veilig genoeg en was tegen uithuisplaatsing, omdat dit de positieve lijn zou verstoren. De vader benadrukte zijn inzet en samenwerking met de GI en wees op de noodzaak van verdere hulp.
De kinderrechter overwoog dat er nog geen machtiging tot uithuisplaatsing was afgegeven en dat de Raad een onderzoekende taak heeft, geen toetsende zoals bedoeld in artikel 1:265j BW. Gezien de discrepantie in visie en het ontbreken van duidelijkheid over het effect van uithuisplaatsing, wees de rechter het verzoek af. De GI en vader dienen de positieve ontwikkelingen voort te zetten en de situatie kritisch te blijven monitoren. De beslissing werd op 23 juni 2025 uitgesproken.