ECLI:NL:RBDHA:2025:12900

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL25.17709
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling en verzoek schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 10 april 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, vanwege risico op onderduiken en belemmering van uitzetting. Eiser stelde dat hij onrechtmatig met handboeien was vastgehouden, wat volgens hem de bewaring onrechtmatig maakte.

De rechtbank onderzocht het proces-verbaal en constateerde dat er geen aanwijzingen waren voor het gebruik van handboeien. De verklaring van eiser alleen was onvoldoende om de officiële documenten te weerleggen, waardoor het beroep op dit punt faalde. Daarnaast werden de zwaarwegende gronden voor bewaring, zoals het risico op onderduiken en eerdere vertrekpogingen, niet betwist door eiser.

Ook het verweer dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, werd verworpen omdat de minister voldoende had gemotiveerd dat minder dwingende maatregelen niet effectief zouden zijn. De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.17709
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
Handboeien
2. De gemachtigde van eiser betoogt dat eiser heeft verklaard dat de Koninklijke Marechaussee hem direct na aankomst op Schiphol van zijn vlucht vanuit Zwitserland in het kader van de Dublinoverdracht handboeien heeft omgedaan. Niet is gebleken dat hier enige aanleiding of noodzaak toe was. Hierdoor is eisers fysieke integriteit in zodanige mate geschonden, dat de bewaring onrechtmatig is geworden, waarbij hij wijst op literatuur en meerdere arresten die gaan over de gevolgen van onrechtmatige toepassing van handboeien. Indien de minister betwist dat er handboeien zijn gebruikt, heeft eiser de rechtbank verzocht om de betreffende verbalisanten onder ede als getuige te horen.
3. De rechtbank constateert dat in het proces-verbaal inzake de staandehouding, overbrenging en ophouding (M105) van 10 april 2025 de gehele gang van zaken vanaf het moment van aankomst van eisers vlucht tot en met de overbrenging van eiser naar een plaats bestemd voor gehoor is weergegeven. Hierin is niets vermeld over het gebruik van handboeien. In het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2024 is op pagina 2 uitdrukkelijk vermeld dat eiser niet geboeid is overgebracht vanuit het vliegtuig. De rechtbank ziet, bij gebreke aan enig aanknopingspunt ter verdere onderbouwing van eisers stelling, in de enkele verklaring van eiser dat hij wel is geboeid, geen reden voor twijfel aan de twee hiervoor weergegeven op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door eiser verzocht, de betreffende verbalisanten nader als getuige te horen. Nu gezien het voorgaande niet is gebleken dat eiser onrechtmatig is geboeid, kan de door eiser aangevoerde literatuur en jurisprudentie ter zake verder onbesproken blijven. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring al dragen, zodat een risico op onderduiken reeds daarmee is gegeven.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Hij voert daartoe aan dat de minister had kunnen volstaan
met een meldplicht en dat eiser bereid is zich dagelijks te melden.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering daarvan blijkt dat er sprake is van een risico op onttrekking. Daarnaast blijkt uit het dossier dat eiser al eens met onbekende bestemming is vertrokken. Ook geeft eiser in het vertrekgesprek van 15 april 2025 aan dat hij niet op eigen initiatief terug zal keren naar Algerije. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat er in het geval van eiser niet kan worden volstaan met een meldplicht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 mei 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.