ECLI:NL:RBDHA:2025:12856
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De vreemdeling is op 24 januari 2025 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van bewaring duurt voort en de vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 10 april 2025 vastgesteld en toetst nu alleen de voortduring van 10 april tot 1 juli 2025.
De vreemdeling betoogt dat het zicht op uitzetting naar India ontbreekt omdat de laissez-passer-aanvraag al vijf maanden zonder resultaat is. De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting wel aanwezig is, mede omdat India medewerking verleent en de vreemdeling onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting.
Verder stelt de vreemdeling dat verweerder onvoldoende voortvarend is in het uitzettingsproces. De rechtbank constateert dat verweerder meerdere keren heeft gerappelleerd bij de Indiase autoriteiten en regelmatig vertrekgesprekken heeft gevoerd, wat voldoende voortvarendheid toont.
Tot slot betoogt de vreemdeling dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege de lange duur en negatieve geestelijke gevolgen. De rechtbank ziet geen gewijzigde omstandigheden die dit rechtvaardigen en acht het beroep ongegrond.
De rechtbank concludeert dat het voortduren van de maatregel rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.