ECLI:NL:RBDHA:2025:12844
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Klacht ongegrond verklaard tegen beëindiging verplichte geestelijke gezondheidszorg en schadevergoeding afgewezen
Verzoeker diende een klacht in tegen de beëindiging van zijn verplichte opname in een zorgaccommodatie, waarna de klachtencommissie deze klacht ongegrond verklaarde. Vervolgens verzocht verzoeker de rechtbank om de klacht alsnog gegrond te verklaren en een schadevergoeding toe te kennen wegens de periode van dakloosheid na ontslag.
De rechtbank nam kennis van de feiten dat verzoeker sinds november 2024 onder verplichte zorg stond en dat na stabilisatie van zijn psychische toestand in januari 2025 de opname werd voortgezet met het oog op overplaatsing naar een langdurige klinische behandeling en daarna een beschermde woonvorm. Verzoeker toonde echter geen motivatie voor behandeling en was vaak ongeoorloofd afwezig, waardoor de zorgverantwoordelijke besloot de opname per 13 maart 2025 te beëindigen.
De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de opname niet langer doelmatig en effectief was, omdat de verplichte zorg slechts als uiterste redmiddel mag worden toegepast en niet bedoeld is om dakloosheid te voorkomen. De klacht werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
De rechtbank erkent de moeilijke situatie van verzoeker na ontslag, maar benadrukt dat hij psychiatrisch stabiel is en zelf verantwoordelijkheid moet nemen voor zijn behandeling en vervolgtraject. De beschikking is op 3 juni 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De klacht tegen beëindiging van verplichte zorg is ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding is afgewezen.