ECLI:NL:RBDHA:2025:12679
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar gegrond tegen DNA-afname na jeugdstrafrechtelijke veroordeling mishandeling
De veroordeelde werd op 5 november 2024 door de politierechter veroordeeld tot een werkstraf van 20 dagen wegens mishandeling. Op 17 december 2024 werd door de officier van justitie een bevel gegeven tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek, welke op 3 februari 2025 plaatsvond. De veroordeelde maakte bezwaar op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat hij onder jeugdstrafrecht was veroordeeld en dat bijzondere omstandigheden en een laag recidivegevaar een uitzondering rechtvaardigen.
De rechtbank heeft het bezwaar op 13 mei 2025 behandeld, waarbij zowel de veroordeelde als de officier van justitie zijn gehoord. De officier van justitie stelde dat de afname rechtmatig was en dat geen uitzonderingsgrond van toepassing was. De rechtbank oordeelde echter dat de Wet DNA een uitzondering kent voor bijzondere omstandigheden en dat het feit dat de veroordeelde onder jeugdstrafrecht is veroordeeld en een laag recidivegevaar heeft, een beroep op deze uitzondering rechtvaardigt.
De rechtbank concludeert dat de mishandeling een jeugdzonde betreft, een enkele klap na jarenlange pesterijen, en dat het belang van DNA-onderzoek in dit geval niet opweegt tegen de bijzondere omstandigheden. Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar gegrond en wordt het DNA-onderzoek niet toegestaan.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname wordt gegrond verklaard vanwege bijzondere omstandigheden en laag recidivegevaar.