De rechtbank Den Haag heeft op 11 juli 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder door het gerechtshof is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen tussen februari 2022 en juni 2025, waarbij schriftelijke conclusies werden gewisseld. De rechtbank baseerde zich op het arrest van het gerechtshof en een rapport over de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde was betrokken bij twee transporten van in totaal 535,5 kilogram cocaïne. Voor het aannemen en inpakken van de cocaïne ontving hij €25 per kilogram, wat leidt tot een totaal geschat wederrechtelijk voordeel van €13.387,50. Kosten die de verdediging wilde aftrekken werden niet erkend wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank matigde de betalingsverplichting met 10% wegens een overschrijding van de redelijke termijn van anderhalf jaar, waardoor de veroordeelde €12.048,75 aan de staat moet betalen. Tevens werd de duur van gijzeling vastgesteld op 240 dagen.
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op de eerdere veroordeling van de veroordeelde door het gerechtshof Den Haag.