ECLI:NL:RBDHA:2025:12571
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag onder de Dublinverordening.
Eiser voert aan dat hij in Duitsland niet adequaat zal worden opgevangen en behandeld, dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Duitse asielstelsel, en dat zijn overdracht aan Duitsland zal leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest, waaronder het risico op refoulement. Hij beroept zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, het arrest Jawo, en het AIDA rapport 2022.
De rechtbank stelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het Duitse asielstelsel zulke ernstige tekortkomingen vertoont dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast. De rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het HvJEU, waarin wordt bevestigd dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt en dat het claimakkoord een adequate behandeling garandeert.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Tevens wordt eiser geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.