Eiser woonde vanaf augustus 2019 in een affectieve relatie met de hoofdhuurder van een sociale huurwoning. Na beëindiging van de relatie en opzegging van de huurovereenkomst door de hoofdhuurder, verzocht eiser tijdig om medehuurderschap bij de woningcorporatie. Deze weigerde het verzoek omdat het niet gezamenlijk was ingediend en betwistte de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding en de financiële waarborg.
De kantonrechter oordeelde dat het verzoek niet gezamenlijk ingediend hoeft te worden en dat eiser tijdig heeft gehandeld, kort na het einde van de duurzame gemeenschappelijke huishouding. De woningcorporatie kon niet aantonen dat eiser onvoldoende financiële waarborg bood. De vordering tot medehuurderschap werd daarom toegewezen met ingang van 1 november 2024.
De tegenvordering van de woningcorporatie tot ontruiming werd afgewezen omdat eiser een geldige titel tot verblijf heeft. De woningcorporatie werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee wordt de positie van eiser als medehuurder erkend, wat bescherming biedt tegen onrechtmatige ontruiming.