ECLI:NL:RBDHA:2025:1244

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
NL24.24105
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 16 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.15 lid 1 VreemdelingenbesluitArt. 3.14 onder c Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning bij stiefmoeder wegens ontbreken hechte persoonlijke banden

Eisers, twee minderjarige dochters met de Nigeriaanse nationaliteit, vroegen verblijf aan in Nederland bij hun vader en diens echtgenote, de stiefmoeder. De Minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan, waaronder het vereiste van hechte persoonlijke banden en het rechtmatig verblijf van de referent.

Eisers voerden in beroep aan dat de afwijzing onvoldoende gemotiveerd was en dat er wel degelijk sprake is van een bijzondere en hechte band tussen de stiefmoeder en de kinderen, ondanks het ontbreken van formele gezagsrelaties. De rechtbank oordeelde dat de stiefmoeder geen biologische of juridische ouder is en dat de kinderen feitelijk niet tot haar gezin behoren, mede omdat zij de kinderen slechts eenmaal heeft ontmoet en er geen gezamenlijke huishouding is geweest.

Verder voldeed de vader niet aan de voorwaarde van rechtmatig verblijf, aangezien hij geen Nederlandse nationaliteit of verblijfsvergunning heeft. De rechtbank bevestigde dat zonder hechte persoonlijke banden geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat en dat daarom geen belangenafweging hoefde plaats te vinden.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24105

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2] , eisers
(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),
en
de Minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. M.I. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor verblijf bij hun vader en stiefmoeder in Nederland.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers zijn geboren op [geboortedatum 1] 2009 en [geboortedatum 2] 2013. Zij hebben de Nigeriaanse nationaliteit en verblijven bij hun moeder in Nigeria. Zij zijn de dochters van referent, [referent] . Eisers hebben verblijf gevraagd in Nederland bij referent en zijn echtgenote, [naam] . Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het besluit en vinden dat het onvoldoende gemotiveerd is en daarom moet worden vernietigd. Zij stellen dat er bij de toets aan de hechte persoonlijke banden ten onrechte alleen is gekeken naar de formele vereisten. Deze vereisten zeggen volgens eisers echter niks over de inhoud en sterkte van de band. Het is heel bijzonder dat in korte tijd zo’n sterke band is opgebouwd door de echtgenote van referent met zijn dochters. Zij heeft zelf geen kinderen en doet alles voor ze. Er is dagelijks contact, ze stuurt geld, denkt mee en haar band met de kinderen is even sterk als met hun moeder. Dat zij geen gezag heeft is geen probleem, want de vader kan dat uitoefenen. Nu er ten onrechte geen hechte persoonlijke banden zijn aangenomen, vinden eisers dat er ook ten onrechte geen belangenafweging is gemaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen oordelen dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan en de aanvraag van eisers als ongegrond heeft mogen afwijzen. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Voldoen referent en zijn echtgenote aan de voorwaarden?
5. Een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning kan worden afgewezen als niet aan de voorwaarden wordt voldaan. [2] Eén van die voorwaarden is dat de referent Nederlander moet zijn, of een niet-tijdelijk verblijfsrecht moet hebben. [3] Ook moet het kind onder het rechtmatige gezag van de referent staan. [4] Een andere voorwaarde is dat het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon feitelijk behoort tot het gezin van die hoofdpersoon. Dat moet ook al in het land van herkomst zo zijn geweest. Een kind hoort feitelijk bij het gezin van de ouder(s) als tussen het kind en de ouder(s) sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [5] Daarvoor moet sprake zijn van hechte persoonlijke banden. [6]
5.1
Referent is geen Nederlander en hij is geen EU onderdaan. Ook heeft referent geen verblijfsvergunning, al loopt daar wel een aparte procedure voor. Referent voldoet dus (nog) niet aan de voorwaarden en daarom mocht verweerder de aanvraag voor verblijf bij hem afwijzen. De echtgenote van referent is Nederlander, dus zij voldoet aan de voorwaarde van rechtmatig verblijf, zoals hierboven onder punt 5 genoemd. De dochters van referent zijn echter niet haar biologische of juridische kinderen. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat de echtgenote van referent ook niet aan deze voorwaarden voldoet.
Zijn er hechte persoonlijke banden tussen de echtgenoot van referent en zijn dochters?
5.2
Verweerder heeft in het besluit ook getoetst aan de hechte persoonlijke banden in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij is gesteld dat wegens het ontbreken van de hechte persoonlijke banden er eveneens niet wordt voldaan aan het vereiste dat de kinderen feitelijk tot het gezin van referent en zijn echtgenote behoren. Volgens eisers is er wel een hele bijzondere band met de echtgenote van referent. Daarom zijn er volgens eisers wel hechte persoonlijke banden en had verweerder tot een andere conclusie moeten komen.
5.3
De rechtbank is van oordeel dat de dochters van referent niet feitelijk bij het gezin van de echtgenote van referent horen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat er in dit kader geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Daarbij mocht verweerder betrekken dat de dochters al hun hele leven bij hun moeder in Nigeria wonen en dat de echtgenote van referent ze slechts één keer in het echt heeft ontmoet, terwijl zij al 10 en 14 jaar oud zijn. Dat de echtgenote niet aanwezig was bij de zitting, omdat zij op bezoek was bij de dochters in Nigeria, maakt dit niet anders. Dat er sprake is van een hele bijzondere band die in korte tijd is opgebouwd, dat er veel contact is, dat de echtgenote van referent een bijdrage levert in de kosten, dat zij zich als een tweede moeder voelt en de kinderen ook op haar zijn gesteld betekent niet dat er daarom sprake is van hechte persoonlijke banden als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Daarvoor is meer vereist. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat de echtgenote nooit met de kinderen als gezin heeft samengewoond. Ook mocht verweerder betrekken dat de echtgenote van referent het gezag niet heeft. Dat dit volgens eisers in Afrika niet gebruikelijk is om te regelen, betekent niet dat dit niet belangrijk is voor het vaststellen van hechte persoonlijke banden. Verweerder mocht gelet op het voorgaande concluderen dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden met de echtgenote van referent en zijn kinderen. Daarom is er ook geen sprake van gezinsleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Nu er geen sprake is van gezinsleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, hoefde verweerder ook geen belangenafweging te maken. Dit laatste volgt uit een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. [7]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.S. Clerx, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
2.Op grond van artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Op grond van artikel 3.15, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
4.Op grond van artikel 3.14 onder c, van het Vb.
5.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.zie paragraaf B7/3.2.1 gelezen in samenhang met paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 4.1 en 5.