ECLI:NL:RBDHA:2025:12354
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een beslistermijn werd gesteld, die door de minister niet is nagekomen.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister tot aanhouding af omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep ontvankelijk vanwege de eerdere rechterlijke termijn. De minister heeft geen verweerschrift ingediend en heeft de gestelde termijn ongebruikt laten verstrijken.
De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op en verbindt daaraan een dwangsom van €250,- per dag met een maximum van €37.500,-. De bestuurlijke dwangsom wordt niet vastgesteld omdat de wettelijke bepalingen hierover per 15 april 2025 niet meer van kracht zijn. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog te beslissen met een dwangsom bij overschrijding.