ECLI:NL:RBDHA:2025:1235

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 januari 2025
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
NL24.48195
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 8 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens bezwaarprocedure verblijfsvergunning

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 december 2024 waarin haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij een gezinslid met vrijstelling van het mvv-vereiste is afgewezen. Zij verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat zij Nederland moet verlaten tijdens de behandeling van het bezwaar.

De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen het verzoek om een voorlopige voorziening die ziet op het niet uitzetten van verzoekster totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de voorziening omdat haar is medegedeeld dat zij Nederland moet verlaten.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, waardoor het besluit van 2 december 2024 wordt geschorst en verzoekster gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het griffierecht van verzoekster.

Er is geen hoger beroep of verzet mogelijk tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor verzoekster niet wordt uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48195 (rectificatie)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , v-nummer: [nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2024 waarin de minister de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning met het doel ‘verblijf bij gezinslid, met vrijstelling van het mvv-vereiste in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM’ heeft afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [2]
3. De minister heeft aan verzoekster medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten en dient terug te keren naar Irak. Verzoekster heeft daarom spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4. Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat verzoekster gedurende de behandeling van het bezwaar Nederland niet hoeft te verlaten. De minister heeft op 31 december 2024 aan de rechtbank meegedeeld zich niet te verzetten tegen een toewijzing van een voorlopige voorziening voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekster totdat er een beslissing is genomen op het bezwaar. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

Conclusie en gevolgen

5. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat het besluit van 2 december 2024 wordt geschorst en verzoekster gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 907 omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Ook moet de minister het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat de uitzetting van verzoekster achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 907 aan proceskosten van verzoekster;
  • bepaalt dat de minister het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Dat staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.