ECLI:NL:RBDHA:2025:12242
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens onrechtmatig verblijf
Eiser is in Nederland aangehouden met een paspoort met valse stempels en veroordeeld voor het bezit van een vals identiteitsbewijs. Verweerder legde op 1 december 2024 een terugkeerbesluit op zonder vertrektermijn en op 6 maart 2025 een inreisverbod van twee jaar. Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had en dat verweerder correct heeft gehandeld conform richtlijn 2008/115. De belangen van eiser, waaronder zijn gezins- en familieleven in België en Duitsland, zijn zorgvuldig meegewogen maar bieden geen grond om af te zien van de opgelegde maatregelen. Het belang van het kind en de zwangerschap van de partner zijn niet voldoende onderbouwd om het terugkeerbesluit of inreisverbod te verhinderen.
De rechtbank oordeelt dat het inreisverbod niet onevenredig is en dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn belangen naar voren te brengen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtsgevolgen pas ingaan na vertrek uit de Unie en eiser momenteel gedetineerd is. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.