ECLI:NL:RBDHA:2025:12162
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij zijn partner. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af bij besluit van 26 februari 2025. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep. Verzoeker en zijn gemachtigde lieten weten niet naar de zitting te komen en verzochten de zaak op de stukken af te doen. Op 19 juni 2025 deed de rechtbank uitspraak in het beroep en verklaarde dit ongegrond, waarmee het bestreden besluit werd gehandhaafd.
Omdat het beroep ongegrond werd verklaard, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is verklaard en het bestreden besluit in stand blijft.