De minister van Asiel en Migratie legde op 9 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Poolse vreemdeling, op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 21 mei 2025.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat de bewaring gerechtvaardigd was op basis van voldoende gronden, waaronder het ontbreken van een paspoort en het niet naleven van een vertrekverplichting na intrekking van het rechtmatig verblijf.
De rechtbank concludeerde dat er een reëel risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, waardoor de maatregel van bewaring terecht was opgelegd. De overige aangevoerde gronden werden niet verder besproken. De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.