Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 11 april 2025 niet in behandeling is genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de aanvraag op grond van het Dublin-verdrag.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen deze beslissing, maar heeft in zijn beroepschrift geen gronden vermeld waarop hij het niet eens is met het besluit. De rechtbank heeft eiser verzocht dit verzuim binnen een week te herstellen, maar dit is niet gebeurd. Er is geen verontschuldiging voor het niet tijdig indienen van de gronden gegeven.
De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Er wordt geen inhoudelijke beoordeling gegeven en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, en openbaar gemaakt op 3 juli 2025.