ECLI:NL:RBDHA:2025:11677
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens besluit minister
Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 24 april 2025 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker zijn beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelt dat de minister tegemoet is gekomen aan het beroep en dat de proceskostenvergoeding daarom toewijsbaar is. Gezien de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele hulpverlener, wordt een vast bedrag toegekend met een wegingsfactor van 0,5.
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 453,50 aan proceskosten en tevens het door verzoeker betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 22 mei 2025.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskostenvergoeding aan verzoeker.