AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op basis van onaantastbaar plaatsingsbesluit afgewezen
Eiser werd op 16 april 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op grond van artikel 56 vanPro de Vreemdelingenwet, gekoppeld aan een plaatsingsbesluit van het COa voor verblijf in de HTL-locatie te Hoogeveen. Op 12 mei 2025 werd de opvang beëindigd en de maatregel opgeheven. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat hij op het moment van oplegging geen recht meer had op COa-opvang, wat volgens hem de grondslag voor de maatregel ontbrak.
De rechtbank stelt vast dat tegen het plaatsingsbesluit geen beroep is ingesteld en dat de termijn daarvoor is verstreken, waardoor het besluit in rechte vaststaat. Dit betekent dat de vrijheidsbeperkende maatregel, die op dat besluit is gebaseerd, niet onrechtmatig kan zijn. Het betoog van eiser dat op basis van een brief van 12 mei 2025 geen opvang had mogen worden geboden, faalt omdat dit een gepasseerd station betreft.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier R. de Boer en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22203
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Sierra Leoonse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Bij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56 vanPro de Vw [1] (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel).
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
Op 12 mei 2025 heeft de minister de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven wegens beëindiging van opvang.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. Omdat de vrijheidsbeperkende maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling daarvan zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vrijheidsbeperking op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 vanPro de Vw kan de rechtbank, als de vrijheidsbeperking al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank overweegt eerst dat de minister eiser door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel verplicht heeft om met ingang van 16 april 2025 te verblijven in de HTL [2] in Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COa van 16 april 2025. Het COa heeft de opvang op 12 mei 2025 beëindigd. De vrijheidsbeperkende maatregel is diezelfde dag opgeheven.
3.1.
De rechtbank stelt verder vast dat tegen het plaatsingsbesluit geen beroep is ingesteld en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Hierdoor staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser voert aan dat aan hem ten onrechte dan wel op onjuiste wettelijke grondslag een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd. De reden voor de opheffing van de maatregel is volgens eiser dat gebleken is dat eiser al ten tijde van het opleggen van de maatregel geen recht op COa-opvang meer had. Eiser betoogt - samengevat - dat als ten tijde van het opleggen van de maatregel al vaststond dat eiser geen opvangrecht had dan wel vast had moeten staan, de feitelijke grondslag voor een HTL-plaatsing ontbrak waardoor de vrijheidsbeperkende maatregel ook onrechtmatig is geweest. Eiser verzoekt om het beroep gegrond te verklaren, een schadevergoeding aan hem toe te kennen en de minister te veroordelen in de proceskosten.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eisers beroepsgronden slagen niet. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het inmiddels in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit van 16 april 2025. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. Het betoog van eiser dat gezien de brief van 12 mei 2025 helemaal geen opvang geboden had mogen worden, is een gepasseerd station omdat het plaatsingsbesluit al in rechte onaantastbaar is geworden, als gevolg waarvan dit betoog faalt. De enkele mededeling in de brief van 12 mei 2025 dat eiser al op 19 december 2023 een negatieve asielbeschikking heeft ontvangen, maakt het voorgaande niet anders. Verder treffen de gronden van eiser die zien op COa-opvang, geen doel omdat deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.