Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis.
Eerder had de rechtbank Den Haag een termijn van twee weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. De minister heeft echter niet binnen deze termijn een besluit genomen, waarop eiser beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de eerdere rechterlijke termijnstelling.
De minister heeft een verweerschrift ingediend, maar gaf geen concrete datum voor besluitvorming. De rechtbank legt daarom een nieuwe beslistermijn van twee weken op en verbindt hieraan een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, die is vrijgesteld van griffierecht.
De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 juni 2025 door rechter R.J.A. Schaaf.