ECLI:NL:RBDHA:2025:11387
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring en lichter middel
De minister van Asiel en Migratie legde op 8 april 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 30 april 2025, het moment van het sluiten van het vorige onderzoek.
Eiser voerde aan dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbrak vanwege het ontbreken van een laissez passer en onvoldoende voortvarendheid van de minister. De rechtbank oordeelde dat de lp-aanvraag in behandeling is en dat eiser onvoldoende meewerkte aan het uitzettingsproces. De minister had maandelijks vertrekgesprekken gevoerd en driemaandelijks gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, wat als voldoende voortvarend werd beschouwd.
Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel zoals meldplicht of borgtocht had moeten worden toegepast. De rechtbank vond geen aanleiding om dit te erkennen en concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onevenredig bezwarend was. Ook ambtshalve toetsing leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.