Eiser, een Colombiaanse asielzoeker, diende op 1 december 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder wees deze aanvraag op 11 maart 2025 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar op vanwege ernstige bedreiging van de openbare orde.
Eiser voerde aan dat hij vanwege problemen met de gewapende groepering ELN in Colombia bescherming zocht. De rechtbank oordeelde echter dat eiser zijn identiteit onvoldoende aannemelijk had gemaakt, mede door het ontbreken van originele documenten en tegenstrijdige verklaringen. Ook werd het asielrelaas over de ELN niet geloofwaardig bevonden vanwege gebrek aan objectieve onderbouwing en inconsistenties.
Verder bleek uit justitiële documentatie dat eiser meerdere onherroepelijke veroordelingen had, waaronder een gevangenisstraf van tien maanden voor zware mishandeling met voorbedachte rade. Verweerder motiveerde het inreisverbod met de actuele en ernstige bedreiging die eiser vormt voor fundamentele belangen van de samenleving. De rechtbank vond de motivering voldoende en verwierp het beroep.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de zaak inhoudelijk was behandeld. De rechtbank wees ook een proceskostenvergoeding af. De uitspraak kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.