Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:11306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
24/3469
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PwArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 24 RichtlijnArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf in Nederland

Eiser, een Bulgaarse nationaliteit dragende persoon, heeft een bijstandsuitkering aangevraagd die door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. Eerder had eiser reeds een bijstandsuitkering ontvangen die hij zelf beëindigde. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft vastgesteld dat eiser sinds 27 januari 2022 niet rechtmatig in Nederland verblijft, een besluit dat na bezwaar onherroepelijk is gebleven.

Eiser betoogt dat het verblijfsrecht onduidelijk is en dat hij op grond van het Unierecht rechtmatig verblijf zou hebben, mede omdat hij zich zou kunnen registreren als rechtmatig verblijvende vreemdeling indien hij werk en inkomen kan aantonen. De rechtbank oordeelt echter dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen omdat eiser niet langer gelijkgesteld kan worden met een Nederlander op grond van de Participatiewet.

De rechtbank benadrukt dat het primaire oordeel over het rechtmatig verblijf toekomt aan de staatssecretaris en dat het college op grond van het onherroepelijke besluit van de staatssecretaris mag uitgaan van het ontbreken van rechtmatig verblijf. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3469

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J.W.F. Deen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. L.J. van der Zwart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 4 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft de Bulgaarse nationaliteit. Tot 1 mei 2022 ontving eiser een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Deze is op verzoek van eiser beëindigd. Eiser heeft op 3 oktober 2023 opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd bij het college.
2.1.
Bij beschikking van 27 januari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) vastgesteld dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft. Het hiertegen gemaakte bezwaar is door de staatssecretaris bij beschikking van 17 juni 2022 ongegrond verklaard. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.2.
Het college heeft de aanvraag van eiser met primaire besluit, gehandhaafd na bezwaar met het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat eiser vanaf 27 januari 2022 geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en daarom geen recht heeft op bijstand.
3. Eiser voert aan dat enkel de mededeling van de staatssecretaris dat hij geen verblijfsrecht heeft onvoldoende is voor het oordeel dat hij geen recht heeft op bijstand. Niet is gebleken dat het verblijfsrecht is ingetrokken middels een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking. Het is eiser niet bekend dat zijn bezwaar tegen de beschikking van de staatssecretaris ongegrond zou zijn verklaard. De vreemdelingrechtelijke positie van eiser blijft daarom onduidelijk, in die zin dat ingeval het verblijfsrecht van een onderdaan van de Europese Unie (EU) wordt ingetrokken, zulks niet betekent dat hij dit EU-land dient te verlaten en uitgezet kan worden. Voorts is van de staatssecretaris vernomen dat als eiser zich meldt met een bewijs dat hij over werk en inkomen beschikt, hij wederom als een rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling geregistreerd kan worden. Het verblijfsrecht van een EU-onderdaan volgt bovendien rechtstreeks uit het EU-verdrag.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
In artikel 11, eerste lid, van de Pw is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid van artikel 11 van Pro de Pw is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn.
4.2.
Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt voor de toepassing van de Pw met een Nederlander gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vw 2000 en aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoet.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen nu eiser blijkens de beschikking van de staatssecretaris vanaf 27 januari 2022 niet langer gelijk kan worden gesteld met een Nederlander op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw, omdat hij vanaf die datum geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
4.4.
De stelling van eiser dat zijn vreemdelingrechtelijke positie onduidelijk is volgt de rechtbank niet. Dit blijkt immers voldoende duidelijk uit de beschikkingen van de staatssecretaris van 27 januari 2022 en 17 juni 2022. Op 19 december 2024 heeft het college volledigheidshalve contact opgenomen met de staatssecretaris. Er is toen bevestigd dat eiser niet in beroep is gegaan tegen het besluit van 17 juni 2022. Daarmee is het besluit van 17 juni 2022 in rechte vast komen te staan.
4.5.
Het betoog van eiser dat erop ziet dat er geen sprake is van onrechtmatig verblijf omdat hij een verblijfsrecht heeft op grond van het Unierecht kan niet slagen. Het is namelijk de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven of niet. In dit geval heeft de staatssecretaris met ingang 27 januari 2022 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft op grond van het Unierecht in verband met zijn beroep op bijstand. Tegen dit besluit heeft een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang opengestaan en dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. In die situatie mag een bijstandverlenend orgaan afgaan op de juistheid van de toepassing van het Unierecht op het geval van de betrokkene. Het college behoeft dan ook niet nader te beoordelen of betrokkene met ingang van de te beoordelen periode rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijkt krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het CRvB van 7 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:542.