Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:11214

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
AWB 23/12393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen vaststelling eigen bijdrage opvang door COa wegens vermogen boven vermogensgrens

Eiser is door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) geconfronteerd met een vaststelling dat hij een eigen bijdrage van €3.183,62 verschuldigd is voor opvangkosten. Dit is gebaseerd op het feit dat eiser met de uitbetaling van een dwangsom van €15.000,- door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over vermogen beschikt dat hoger is dan de toegestane vermogensgrens.

Eiser voerde aan dat een deel van de dwangsom aan een goed doel was geschonken, maar kon dit niet aantonen met voldoende bewijs. Daarnaast stelde hij dat er geen geldige verplichting was ontstaan om de dwangsom af te staan aan het COa omdat bij de asielaanvraag geen verklaring was ondertekend en er geen tolk aanwezig was bij een rechten- en verplichtingengesprek. De rechtbank verwees echter naar een eerdere uitspraak met kracht van gewijsde waarin dit punt reeds was beoordeeld.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is omdat eiser onvoldoende onderbouwde bezwaren aanvoerde tegen het bestreden besluit en de vaststelling van het COa. Ook het verzoek om een volledig procesdossier werd niet concreet gemotiveerd. De vaststelling van de eigen bijdrage blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de eigen bijdrage door het COa wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/12393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa

(gemachtigde: mr. R.P.G. Bel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van het COa dat eiser een bedrag van € 3.183,62 aan eigen bijdrage in de kosten van zijn opvang is verschuldigd. [1]
1.1.
Het COa is met zijn besluit van 22 september 2023 (het bestreden besluit) tot die vaststelling gekomen, omdat eiser met de uitbetaling van een dwangsom van € 15.000,– door IND [2] beschikt over eigen vermogen dat hoger is dan de vermogensgrens en hij dan een vergoeding [3] moet betalen voor de kosten van zijn opvang (eigen bijdrage) aan het COa.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het COa heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het COa. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van afwezigheid, niet naar de zitting gekomen. Het daags voor de zitting door de gemachtigde gedane verzoek om verdaging heeft de rechtbank afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de vaststelling van de eigen bijdrage. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en ook op onjuiste wijze is bekendgemaakt (namelijk per mail) aan de gemachtigde, dit terwijl de gemachtigde niet uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat besluiten rechtsgeldig per mail bekend kunnen worden gemaakt. Verder staat in het bestreden besluit vermeld dat op 17 april 2023 een vooraankondiging is gestuurd, maar dat bij de daarop gegeven reactie geen aanvullende onderbouwde informatie is verstrekt, waardoor de te betalen eigen bijdrage zou moeten worden aangepast. Dit terwijl de gemachtigde nu juist had verzocht om een volledig procesdossier aan te leveren, omdat eiser zelf al tijdens een eerdere zienswijzefase stukken heeft aangeleverd die het COa nog in geen enkel dossier heeft overgelegd. Eiser wijst er ook op dat de IND bij de asielaanvraag geen verklaring “geen inkomen en/of vermogen” heeft laten ondertekenen. Bij een eventueel rechten- en verplichtingen gesprek met het COa was geen tolk aanwezig. Een verklaring werd door eiser niet ondertekend, zodat er voor hem nooit een verplichting in het leven is geroepen om de dwangsom (gedeeltelijk) af te staan (aan het COa). Ook werd bij het asielbesluit/dwangsombesluit geen waarschuwing gevoegd over het vrijgestelde bedrag.
3.1.
Over het aangevoerde dat het bestreden besluit op onjuiste wijze is bekendgemaakt, wijst de rechtbank erop dat tijdig beroep is ingesteld na tijdige ontvangst van het bestreden besluit. De rechtbank ziet niet in welke gevolgen eiser aan het aangevoerde verbindt. Wat betreft het aangevoerde over het verzoek om een volledig procesdossier aan te leveren, wijst de rechtbank erop dat niet duidelijk is welk juridisch standpunt eiser ten aanzien van het voorliggende besluit wil innemen. Bovendien wijst de rechtbank op de e-mailwisseling met eiser in augustus en september 2022 die deel uitmaakt van het dossier. Verder heeft het COa de relevante stukken op 7 januari 2025 (met het verweerschrift) overgelegd. Onder die stukken bevinden zich ook twee bankafschriften waaruit blijkt dat een overboeking van in totaal € 6.500,- heeft plaatsgevonden. De rechtbank vermoedt dat dit ziet op betalingen waarvan eiser zelf zegt dat hij € 6.500,- heeft ontvangen en de rest via zijn advocaat aan een goed doel heeft geschonken. Van die stukken heeft het COa mogen vinden dat daarmee niet is aangetoond dat aan een goed doel of welk goed doel is geschonken. Daartegen heeft eiser geen gronden aangevoerd. Wat betreft het aangevoerde dat bij de asielaanvraag de IND geen verklaring “geen inkomen en/of vermogen” had laten ondertekenen en dat bij een eventueel rechten- en verplichtingen gesprek met het COa geen tolk aanwezig was en een verklaring door eiser niet werd ondertekend, zodat er voor hem nooit een verplichting in het leven is geroepen om de dwangsom (gedeeltelijk) af te staan (aan het COa), wijst de rechtbank er allereerst op dat deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, in haar uitspraak van 29 maart 2023 (AWB 22/4744), onder punt 4.3.1. en verder, al een uitdrukkelijk oordeel heeft gegeven over dit punt. Eiser heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, maar heeft dat hoger beroep weer ingetrokken. Daarmee heeft die uitspraak kracht van gewijsde gekregen. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat in de zienswijze Reba van 18 november 2021 (waarop de rechtbank in voornoemde uitspraak ook wijst) staat: “Meneer heeft voorafgaand aan het ontvangen van de dwangsom contact gehad met de advocaat. Hij wist dat hij niet meer vermogen mocht hebben dan een bedrag van ongeveer 6000 euro.” Gelet op het voorgaande kan eiser dan ook niet in zijn stelling worden gevolgd dat er voor hem nooit een verplichting in het leven is geroepen om de dwangsom (gedeeltelijk) af te staan aan het COa. Tot slot wijst de rechtbank erop dat eiser aanvoert dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, maar niet concreet motiveert wat dan inhoudelijk aan het bestreden besluit schort. De beroepsgronden slagen dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr.D.S. Arjun Sharma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
27 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De hoogte van de eigen bijdrage heeft het COa bepaald op grond van de Regeling eigen bijdrage asielzoekers met inkomen en vermogen 2008 (Reba 2008).
2.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
3.Op grond van artikel 20, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005).