Eiser is door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) geconfronteerd met een vaststelling dat hij een eigen bijdrage van €3.183,62 verschuldigd is voor opvangkosten. Dit is gebaseerd op het feit dat eiser met de uitbetaling van een dwangsom van €15.000,- door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over vermogen beschikt dat hoger is dan de toegestane vermogensgrens.
Eiser voerde aan dat een deel van de dwangsom aan een goed doel was geschonken, maar kon dit niet aantonen met voldoende bewijs. Daarnaast stelde hij dat er geen geldige verplichting was ontstaan om de dwangsom af te staan aan het COa omdat bij de asielaanvraag geen verklaring was ondertekend en er geen tolk aanwezig was bij een rechten- en verplichtingengesprek. De rechtbank verwees echter naar een eerdere uitspraak met kracht van gewijsde waarin dit punt reeds was beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is omdat eiser onvoldoende onderbouwde bezwaren aanvoerde tegen het bestreden besluit en de vaststelling van het COa. Ook het verzoek om een volledig procesdossier werd niet concreet gemotiveerd. De vaststelling van de eigen bijdrage blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.