De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder was door de rechtbank een uiterste beslistermijn gesteld van 25 april 2025, maar de minister heeft binnen die termijn geen besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat in een eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn was gesteld die inmiddels is verstreken. De minister heeft geen actie ondernomen en geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk is wanneer alsnog een besluit volgt.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken op, ingaande de dag na verzending van deze uitspraak. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd met een maximum van €37.500 voor het niet naleven van deze termijn. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50 wegens inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en bekendgemaakt op 22 mei 2025. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.