ECLI:NL:RBDHA:2025:10885

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2025
Publicatiedatum
23 juni 2025
Zaaknummer
SGR 23/6945
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking last onder dwangsom

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 2 oktober 2023, waarbij een last onder dwangsom werd gehandhaafd. Dit beroep is ingetrokken nadat het college op 3 juni 2025 de last onder dwangsom heeft ingetrokken.

Verzoekster vorderde daarop een proceskostenvergoeding, stellende dat het college haar geheel tegemoet was gekomen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren, die stelde dat het intrekkingsbesluit op andere gronden was genomen dan door verzoekster in het beroepschrift was aangevoerd.

De rechtbank oordeelt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb geen sprake is, omdat het college de last onder dwangsom introk op basis van een nieuwe beslissing op bezwaar in een andere procedure, waarin de omgevingsvergunning werd gehandhaafd. Dit wijkt af van de argumenten van verzoekster, die zich richtte op de termijn van begunstiging, ontvankelijkheid van bezwaar en belangenafweging.

Daarom wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is verzonden aan partijen op 23 juni 2025.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het intrekkingsbesluit op andere gronden is genomen dan aangevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6945

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P. de Vries),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. M. Remeijer-Schmitz).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]
(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het college van 2 oktober 2023. Met dit besluit op bezwaar heeft het college de bij besluit van 28 maart 2023 aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom in stand gelaten. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat het college op 3 juni 2025 de last onder dwangsom heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1.
Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
2.2.
Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb is sprake als het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. [3]
2.3.
Verzoekster heeft tegen het besluit van 2 oktober 2023 – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de begunstigingstermijn van twee maanden te kort is, het college het bezwaar van de bezwaarmaker niet-ontvankelijk had moeten verklaren, en de belangenafweging niet redelijk is geweest.
2.4.
Het college heeft de last onder dwangsom ingetrokken omdat in een andere procedure op 4 april 2025 een (nieuwe) beslissing op bezwaar is genomen, waarin de op
25 mei 2020 verleende omgevingsvergunning in stand is gebleven (en er dus geen sprake meer is van een illegaal bouwwerk). Daarmee is het intrekkingsbesluit naar het oordeel van de rechtbank kennelijk op andere gronden genomen dan verzoekster in het beroepschrift heeft aangevoerd en moet het verzoek worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van