De passagier had een vlucht geboekt van Curaçao naar Schiphol die met meer dan vier uur vertraging aankwam. Hij vorderde een vergoeding van €600 op grond van EU-verordening 261/2004, stellende dat TUI aansprakelijk was voor de vertraging.
TUI voerde verweer dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk het tekort aan beveiligingspersoneel op Schiphol, waardoor lange wachtrijen ontstonden. De kantonrechter erkende dat de veiligheidscontroles inherent zijn aan het luchtvaartbedrijf, maar oordeelde dat het personeelstekort een uitzonderlijke situatie was veroorzaakt door de coronapandemie, en daarmee een buitengewone omstandigheid.
De kantonrechter overwoog dat TUI redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te beperken, door te wachten op passagiers en de rotatievlucht zo efficiënt mogelijk uit te voeren. De stelling van de passagier dat TUI operationele beslissingen had genomen die de vertraging veroorzaakten, werd niet gevolgd.
De vordering tot vergoeding werd daarom afgewezen en de passagier werd veroordeeld in de proceskosten van TUI. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter C.W.D. Bom op 24 juni 2025.