Uitspraak
Rechtbank den haag
1.[eiser] te [woonplaats 1] ,
[eiseres]te [woonplaats 1] ,
1.[gedaagde 1] te [woonplaats 2] , de Verenigde Staten,
[gedaagde 2]te [woonplaats 2] , de Verenigde Staten,
Rechtbank Den Haag
Eisers huren sinds november 2022 een woning van gedaagden. De huurovereenkomst is door gedaagden opgezegd en de kantonrechter heeft in maart 2025 geoordeeld dat de huurovereenkomst per oktober 2024 is geëindigd, met veroordeling tot ontruiming en betaling van huurachterstand en gebruiksvergoeding. Eisers zijn zonder recht of titel in de woning gebleven en betaalden de gebruiksvergoeding niet.
Eisers startten een executiegeschil en sloten een vaststellingsovereenkomst, die zij later buitengerechtelijk vernietigden wegens dwang en misbruik van omstandigheden. Zij vorderen schorsing van de executie tot uitspraak in hoger beroep, met verwijzing naar de aanwezigheid van minderjarige kinderen en kwetsbare ouders in de woning, en nieuwe feiten die ontruiming onverantwoord maken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het vonnis van de kantonrechter in beginsel ten uitvoer kan worden gelegd, maar dat vanwege het ontbreken van een belangenafweging in het eerdere vonnis deze in kort geding alsnog moet plaatsvinden. Gelet op het belang van de minderjarige kinderen en het ontbreken van alternatieve woonruimte, wordt de executie van de ontruiming geschorst tot 1 september 2025, onder de voorwaarde dat eisers de gebruiksvergoeding voor mei tot en met augustus 2025 betalen.
Eisers worden grotendeels in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten. De schorsing vervalt indien niet tijdig wordt betaald, waarna gedaagden tot ontruiming kunnen overgaan.
Uitkomst: Executie ontruiming geschorst tot 1 september 2025 onder voorwaarde van betaling gebruiksvergoeding.