Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:10787

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
AWB 24_15975
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 78 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsdocument EU/EER

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 8 september 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsdocument EU/EER. Tevens heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening om de uitzetting naar Turkije te voorkomen.

De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en stelt vast dat verzoeker niet concreet aangeeft welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dat het verzoek moet worden opgevat als opschorting van het terugkeerplichtbesluit. Verzoeker beroept zich op het associatierecht tussen de EU en Turkije, maar onderbouwt dit niet en maakt geen gebruik van de gelegenheid om zijn gronden aan te vullen.

Gezien het ontbreken van onderbouwing acht de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk ongegrond en wijst dit af. Tevens verklaart de voorzieningenrechter het bezwaar ongegrond op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat geen twijfel bestaat over de uitkomst van het bezwaar. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en bezwaar tegen weigering verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/15975

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 8 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsdocument EU/EER.
Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Verzoeker maakt niet expliciet duidelijk welke voorlopige voorziening hij vraagt. Daarom dient ervan uit te worden gegaan dat het verzoek betrekking heeft op het opschorten van de rechtsgevolgen zoals die in het primaire besluit zijn opgenomen, namelijk dat verzoeker moet terugkeren naar Turkije.
3. In het primaire besluit heeft verweerder uitgelegd waarom verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsdocument EU/EER. Verzoeker voert nu, zonder enige toelichting, aan dat hij onder het associatierecht tussen de Europese Unie en Turkije valt. Voor zover sprake is van het indienen van een incomplete aanvraag, wordt vermeld dat er alsnog bereidheid is om de aanvraag compleet te maken. Een dergelijke bereidheid is als zodanig echter onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het bezwaar ook maar enige kans van slagen heeft, en dat geldt evenzeer voor het gebrek aan elke onderbouwing van het beroep op het associatierecht. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om de gronden aan te vullen, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
4. Aangezien het verzoek kennelijk is gedaan teneinde uitzetting te voorkomen voordat op het bezwaar is beslist, en gelet op het voorgaande over de uitkomst van het bezwaar geen enkele twijfel bestaat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 het bezwaar ongegrond te verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
 verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2025 door mr. A.J. de Danschutter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.