Eiser, een Syriër, is op 23 mei 2025 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zware gronden, waaronder het illegaal binnenkomen van Nederland via Spanje en het niet meewerken aan een overdracht aan Spanje op basis van de Dublinverordening, alsmede lichte gronden zoals het niet naleven van verplichtingen en het ontbreken van vaste verblijfplaats.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 behandeld via telehoren, waarbij eiser aanwezig was in het detentiecentrum te Rotterdam. De rechtbank oordeelt dat de maatregel rechtmatig is, omdat de zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en samen voldoende grond bieden voor bewaring. Daarnaast is vastgesteld dat een lichter middel niet toereikend is om de overdracht te waarborgen.
De minister heeft bovendien voldoende rekening gehouden met de medische omstandigheden van eiser en er is geen sprake van onevenredige bezwarendheid van de bewaring. De rechtbank constateert dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht van eiser naar Spanje, met een geboekte vlucht op 18 juni 2025.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.