De rechtbank Den Haag behandelde een zaak waarin verzoeker tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie beroep instelde omdat zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen. De minister stelde dat België verantwoordelijk was voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de overdrachtstermijn aan België zou verlopen voordat het beroep behandeld kon worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de spoedeisendheid aanwezig was, omdat het beroep waarschijnlijk niet binnen de overdrachtstermijn kon worden behandeld.
De voorzieningenrechter vond dat het belang van verzoeker om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn beroep zwaarder woog dan het belang van de minister om hem vooraf over te dragen. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de overdracht werd opgeschort tot na de behandeling van het beroep.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €907. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.