Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:10629

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
18 juni 2025
Zaaknummer
NL25.18086
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag behandelde een zaak waarin verzoeker tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie beroep instelde omdat zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen. De minister stelde dat België verantwoordelijk was voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, omdat de overdrachtstermijn aan België zou verlopen voordat het beroep behandeld kon worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de spoedeisendheid aanwezig was, omdat het beroep waarschijnlijk niet binnen de overdrachtstermijn kon worden behandeld.

De voorzieningenrechter vond dat het belang van verzoeker om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn beroep zwaarder woog dan het belang van de minister om hem vooraf over te dragen. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de overdracht werd opgeschort tot na de behandeling van het beroep.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €907. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden overgedragen aan België zolang het beroep tegen het niet-in-behandeling-nemen van zijn asielaanvraag loopt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18086

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] omdat volgens verweerder een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. [2] Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker hoogstwaarschijnlijk niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn, die in dit geval eindigt op 14 september 2025. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. De voorzieningenrechter zal dan ook bij wijze van ordemaatregel het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk gegrond toewijzen op de hierna te melden wijze. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat het beroep op 21 augustus 2025 op zitting zal worden behandeld en de uiterste overdrachtstermijn ten gevolge van deze uitspraak wordt opgeschort.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen zolang niet op het beroep tegen het bestreden besluit (NL24.18085) is beslist;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907 (negenhonderdzeven euro).
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. A.J. de Danschutter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.