ECLI:NL:RBDHA:2025:10504

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24238
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 50, tweede lid, VwArt. 50a VwArt. 5.1b, derde lid, VreemdelingenbesluitArt. 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen maatregel van bewaring op grond van Dublinoverdracht

Eiser, een Algerijnse nationaliteithebbende geboren in 2003, is in bewaring gesteld na overdracht vanuit België op basis van de Dublinverordening. Hij betoogde dat de ophouding ten onrechte was gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet omdat zijn identiteit reeds bekend was en dat artikel 50a had moeten gelden.

De rechtbank oordeelde dat eiser ten tijde van de overdracht niet beschikte over identiteitsdocumenten en dat zijn identiteit en verblijfsstatus onduidelijk waren. Verweerder had voldoende gronden om de ophouding op artikel 50, tweede lid, te baseren. De zware gronden voor bewaring, waaronder het niet meewerken aan vaststelling identiteit en eerdere asielaanvragen, werden niet betwist door eiser.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.24238

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Vanwege technische problemen was het niet mogelijk de zitting via beeldbellen te houden. De rechtbank heeft daarom voorgesteld de zitting telefonisch te laten plaatsvinden. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Grondslag ophouding
2. Eiser meent dat hij op de verkeerde grondslag is opgehouden. Eiser is in bewaring gesteld na overdracht vanuit België in het kader van de Dublinverordening. [2] Volgens eiser is de ophouding ten onrechte gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw, nu zijn identiteit reeds bij de Nederlandse autoriteiten bekend was. Eiser heeft eerder tweemaal asiel aangevraagd in Nederland. Gelet op die eerdere asielprocedures, alsmede de Dublinclaim die tot zijn overdracht vanuit België heeft geleid, had de ophouding moeten plaatsvinden op grond van artikel 50a, van de Vw, ter voorbereiding van de maatregel van bewaring.
3. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Dat eiser in het verleden in Nederland asiel heeft aangevraagd en nu in het kader van de Dublinverordening vanuit België is overgedragen, maakt niet dat zijn identiteit en nationaliteit op het moment van de ophouding zonder meer vaststonden. Zoals uit het proces-verbaal van de ophouding blijkt, beschikte eiser ten tijde van de overdracht niet over identiteitsdocumenten. Bovendien heeft verweerder toegelicht dat eiser in eerdere procedures met onbekende bestemming is vertrokken, waardoor op het moment van de ophouding onduidelijkheid bestond over zijn identiteit en verblijfsstatus. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser op goede gronden heeft opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. [3] Daarnaast heeft verweerder overwogen dat op redelijke gronden aangenomen kan worden dat eisers asielaanvraag louter is ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. [4] Verweerder heeft als zware gronden [5] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
-
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
en als lichte gronden [6] vermeld dat eiser:
- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlenen van een verblijfsvergunning hebben geleid;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De grondslag onder c van dit artikel heeft verweerder laten vallen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
7. Ook overigens ziet de rechtbank ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
4.Artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw.
5.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
6.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.