ECLI:NL:RBDHA:2025:10436

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
NL25.17095
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 ProcedurerichtlijnArt. 21 ProcedurerichtlijnArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.

Eiser betoogt dat Duitsland niet voldoet aan internationale verplichtingen, onder meer vanwege het risico op indirect refoulement, onvoldoende toegang tot rechtsbijstand, racistische sentimenten en gebrekkige medische voorzieningen. De minister stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Duitsland voldoet aan de vereisten van de Procedurerichtlijn.

De rechtbank volgt de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van systeemfouten in Duitsland die het vertrouwensbeginsel doorbreken. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17095

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, [1] op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
5. Eiser voert aan dat hij in Duitsland niet de nodige internationale bescherming heeft gekregen, omdat de Duitse autoriteiten hem zouden willen uitzetten naar Irak. Eiser stelt dat in zijn geval moet worden afgeweken van het beginsel dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement, omdat er sprake is van ernstige tekortkomingen in Duitsland. Eiser wijst erop dat meer dan de helft van de Iraakse asielaanvragen in Duitsland wordt afgewezen en dat Duitsland de laatste jaren steeds actiever en effectiever is in het uitzetten van Iraakse asielzoekers. Dit klemt volgens eiser te meer, omdat hij in Duitsland niet of onvoldoende toegang heeft tot gedegen rechtsbijstand. Eiser wijst erop dat volgens het meest recente AIDA-rapport vreemdelingen in Duitsland geen toegang hebben tot gefinancierde rechtsbijstand bij hun asielaanvraag. Dit heeft tot gevolg dat vreemdelingen slechts in uitzonderlijke gevallen worden bijgestaan door een advocaat. Daarnaast wijst eiser op het racistische sentiment dat bestaat bij overheidsbesturen en in de Duitse maatschappij. Ook de gebrekkige toegang tot medische voorzieningen in Duitsland baart eiser zorgen.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat er in Duisland sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen en ook niet dat hij buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Uit de door eiser overgelegde bronnen blijkt niet dat de daar genoemde asielzoekers worden uitgezet in strijd met internationale verplichtingen. De minister stelt verder dat Duitsland met de voorwaarden voor rechtsbijstand voldoet aan de vereisten van de Procedurerichtlijn. Voor zover eiser meent dat Duitsland handelt in strijd met de asielrichtlijnen, dient eiser zich volgens de minister te klagen bij de desbetreffende autoriteiten.
7. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [3] De Afdeling heeft bovendien geoordeeld [4] dat daarbij het uitgangspunt is dat de aangezochte lidstaat in de eerste plaats het verbod op refoulement naleeft, en in de tweede plaats dat een vreemdeling in die lidstaat ook toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking op een asielbesluit en een daaraan verbonden terugkeerbesluit aan te vechten en zo een eventueel risico op refoulement dus aan rechterlijke toetsing te onderwerpen. Alleen als een vreemdeling aannemelijk maakt dat er bij de aangezochte lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, kan van deze uitgangspunten worden afgeweken. Daartoe moet een vreemdeling aannemelijk maken dat er in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo, die dus niet zien op de manier waarop die lidstaat invulling geeft aan de materiële voorwaarden om in aanmerking te komen voor internationale bescherming, maar betrekking hebben op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat.
7.1.
Eiser is hierin niet geslaagd. Uit eisers betoog en uit de door hem overgelegde stukken blijkt niet dat asielzoekers of Dublinclaimanten in Duitsland worden behandeld of uitgezet in strijd met internationale verplichtingen. De rechtbank overweegt dat het dan op de weg van eiser ligt om in Duitsland te procederen over zijn (afgewezen) asielaanvraag en dat hij zich over de gestelde gebrekkige toegang tot medische voorzieningen en mogelijke discriminatie kan beklagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat de voorwaarden voor rechtsbijstand in Duitsland in overeenstemming zijn met de Procedurerichtlijn. Immers, uit artikel 20 en Pro 21 van de Procedurerichtlijn volgt dat lidstaten voorwaarden mogen stellen aan kosteloze rechtsbijstand, zoals het hebben van onvoldoende middelen van bestaan, en ook dat geen gratis rechtsbijstand hoeft te worden aangeboden als het beroep geen reële kans van slagen heeft. Dit is recentelijk op 14 februari 2025 ook bevestigd door de Afdeling. [5] De minister heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de internationale verplichtingen nakomt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL25.17096.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.