ECLI:NL:RBDHA:2025:1043
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Syrische nationaliteit, diende op 20 september 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser op 29 juni 2024 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend.
Eiser betwist dat hij in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend en stelt dat hij daar slechts vingerafdrukken heeft afgegeven voor registratie en strafrechtelijke controle. Tevens vreest hij dat hij in Duitsland door Turkse veiligheidsdiensten wordt opgespoord en stelt dat hij afhankelijk is van verblijf bij zijn zus in Nederland. Hij overlegt een verklaring van zijn zus over zijn kwetsbare situatie.
De rechtbank oordeelt dat de registratie in Eurodac geldt als bewijs van een asielaanvraag en dat eiser deze registratie onvoldoende heeft weerlegd. De vrees voor Turkse opsporing is niet voldoende onderbouwd en het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt het vertrouwen in Duitse bescherming. De afhankelijkheidsrelatie met zijn zus is niet voldoende aangetoond. De discretionaire bevoegdheid van verweerder om de aanvraag toch te behandelen wordt niet geactiveerd omdat geen sprake is van onevenredige hardheid.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet inhoudelijk behandeld in Nederland.