Eiser heeft sinds 6 november 2020 een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn echtgenote. De minister heeft de vergunning met ingang van 5 november 2022 ingetrokken omdat eiser niet langer samenwoonde met zijn echtgenote. Referente heeft dit op een meldingsformulier aangegeven en telefonisch bevestigd.
Eiser betwist de datum van intrekking en voert aan dat het geweld van de zoon van referente hem verhinderde om samen te wonen. Hij overlegt een brief van referente waarin sprake is van verzoening, maar deze brief bevat geen concrete aanwijzingen over samenwoning op de intrekkingsdatum. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht van de verklaring van referente is uitgegaan en dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd om de samenwoning op 5 november 2022 aannemelijk te maken.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter C.M. Dijksterhuis op 20 mei 2025.