ECLI:NL:RBDHA:2025:1031
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Opheffing executoriaal derdenbeslag wegens onvoldoende aannemelijkheid vorderingsrecht
In deze kortgedingprocedure vordert de Staat opheffing van het door [gedaagde] gelegde executoriaal derdenbeslag onder Staatsloterij B.V. Dit beslag is gelegd ter verhaal van een vordering uit hoofde van een uitspraak van 12 augustus 2024, waarbij de Minister was opgedragen binnen een termijn te beslissen op een verzoek van [gedaagde].
De Staat stelt dat reeds op 5 maart 2024 op het verzoek van [gedaagde] is beslist, zodat niet tweemaal op hetzelfde verzoek kan worden beslist. De voorzieningenrechter overweegt dat het bedrag van € 1.777,03 inmiddels door de Staat is voldaan, waardoor het vorderingsrecht voor dat bedrag is komen te vervallen en het beslag daarvoor niet gehandhaafd kan blijven.
Ten aanzien van de rechterlijke dwangsom die bij uitspraak van 12 augustus 2024 is opgelegd, is de beoordeling hiervan nog aan de bestuursrechter in een lopende beroepsprocedure. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat [gedaagde] in die procedure niet zal slagen, omdat de beschikking van 5 maart 2024 wel degelijk als besluit op het verzoek van 10 maart 2023 moet worden beschouwd.
Daarom wordt het beslag opgeheven en wordt [gedaagde] verboden de uitspraak van 12 augustus 2024 verder te executeren zolang het beroep loopt. Tevens wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het executoriaal derdenbeslag wordt opgeheven en verdere executie van de uitspraak van 12 augustus 2024 wordt verboden zolang het beroep loopt.