ECLI:NL:RBDHA:2025:10298

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24609
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenzaak

De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 2 mei 2025 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde de rechtbank hiervan in kennis, wat gelijkstaat aan het instellen van beroep door eiser. De bewaring werd op 14 mei 2025 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 10 juni 2025.

Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gewerkt aan zijn overdracht naar Frankrijk, aangezien hij twaalf dagen in bewaring had gezeten terwijl de gegevens en het Dublinakkoord al bekend waren. De rechtbank oordeelde dat de minister op de dag van bewaring een vlucht had aangevraagd en dat de Franse autoriteiten minimaal zeven werkdagen nodig hadden om de overdracht te organiseren. Daarnaast was tijd nodig voor administratieve afhandeling. Eiser werd op de dertiende dag van bewaring overgedragen, wat voldoende voortvarend werd geacht.

De rechtbank concludeerde dat er geen onrechtmatigheid was in de tenuitvoerlegging van de bewaring en dat het beroep ongegrond was. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of toekenning van schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M.C. Schuurman-Kleijberg en griffier S. Voolstra op 13 juni 2025 in Arnhem.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 14 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Heeft de minister voldoende voortvarend gewerkt aan de overdracht van eiser?
2. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser. Eiser heeft van 2 mei 2025 tot 14 mei 2025 in bewaring gezeten. De gegevens van eiser waren bij de minister bekend en er lag al een Dublinakkoord. De overdracht had sneller gekund dan na twaalf dagen.
2.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Uit het dossier volgt dat op de dag dat eiser in bewaring is gesteld voor hem een vlucht is aangevraagd voor 14 mei 2025. Zoals de minister op zitting – onbestreden – heeft verklaard, volgt uit het claimakkoord dat de Franse autoriteiten minimaal zeven werkdagen nodig hebben om de overkomst van eiser te kunnen organiseren. Daarnaast mag aan de minister ook tijd worden gegund om de overdracht van eiser administratief te kunnen regelen. Eiser is op de dertiende dag (negende werkdag) van zijn bewaring overgedragen aan Frankrijk. Deze omstandigheden samen maken dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling en een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.