ECLI:NL:RBDHA:2025:10298
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenzaak
De minister van Asiel en Migratie legde aan eiser op 2 mei 2025 een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde de rechtbank hiervan in kennis, wat gelijkstaat aan het instellen van beroep door eiser. De bewaring werd op 14 mei 2025 opgeheven. De rechtbank behandelde het beroep op 10 juni 2025.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gewerkt aan zijn overdracht naar Frankrijk, aangezien hij twaalf dagen in bewaring had gezeten terwijl de gegevens en het Dublinakkoord al bekend waren. De rechtbank oordeelde dat de minister op de dag van bewaring een vlucht had aangevraagd en dat de Franse autoriteiten minimaal zeven werkdagen nodig hadden om de overdracht te organiseren. Daarnaast was tijd nodig voor administratieve afhandeling. Eiser werd op de dertiende dag van bewaring overgedragen, wat voldoende voortvarend werd geacht.
De rechtbank concludeerde dat er geen onrechtmatigheid was in de tenuitvoerlegging van de bewaring en dat het beroep ongegrond was. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of toekenning van schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M.C. Schuurman-Kleijberg en griffier S. Voolstra op 13 juni 2025 in Arnhem.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.