ECLI:NL:RBDHA:2025:10275

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
NL25.16517
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Sri Lankaanse eiser met politieke overtuiging en verzoek om heroverweging

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een Sri Lankaanse eiser, die op 6 februari 2024 een opvolgende aanvraag indiende na een eerdere afwijzing op 28 april 2023. De rechtbank beoordeelt of de minister van Asiel en Migratie terecht heeft geconcludeerd dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Eiser stelt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat, maar de rechtbank oordeelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit het geval is. De rechtbank wijst erop dat de minister de asielmotieven van eiser geloofwaardig acht, maar niet voldoende om te concluderen dat hij vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank concludeert dat de minister het verzoek om heroverweging van de eerdere afwijzing correct heeft beoordeeld en dat het opgelegde inreisverbod niet onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16517

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.De minister heeft namelijk terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. Daarnaast heeft de minister het verzoek om heroverweging van de eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag overeenkomstig het informatiebericht 2025/6 [1] (informatiebericht) beoordeeld. Ook heeft de minister eiser een inreisverbod kunnen opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vragen of eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Sri Lankaanse autoriteiten, of de minister eisers verzoek om heroverweging overeenkomstig het informatiebericht heeft beoordeeld en of de minister eiser een inreisverbod had mogen opleggen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 februari 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 april 2025 deze aanvraag in afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.16518, op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Vorige en huidige procedure
3. Eiser heeft de Sri Lankaanse nationaliteit. Hij heeft op 16 december 2022 een eerste aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser heeft hier onder andere aan ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met een groep criminelen die beweert dat hij een tas drugs van hen in bezit heeft. Deze aanvraag heeft de minister bij besluit van 28 april 2023 afgewezen, omdat eiser enkel problemen heeft met een bende criminelen en niet met de Sri Lankaanse autoriteiten. Eiser zou zich daarom bij terugkeer kunnen wenden tot de Sri Lankaanse autoriteiten. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 januari 2024 staat dit besluit in rechte vast. [2]
3.1.
Eiser heeft op 6 februari 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hij legt hieraan ten grondslag dat hij in Nederland deelneemt aan demonstraties, bijeenkomsten en vieringen waarin kritiek wordt geuit op de Sri Lankaanse autoriteiten en uiting wordt gegeven aan het streven naar een eigen Tamilstaat, een Tamil Eelam. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser enkele foto’s en artikelen overgelegd. Bovendien verzoekt eiser om heroverweging van zijn eerdere afwijzing van 28 april 2023. Ter onderbouwing van zijn verzoek om heroverweging heeft hij een krantenartikel van het NRC overgelegd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven::
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Deelname aan demonstraties in Nederland.
De minister acht beide elementen geloofwaardig, maar acht de gestelde vrees niet aannemelijk genoeg om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarnaast wijst de minister het verzoek om heroverweging van het besluit van 28 april 2023 af en legt hij eiser een inreisverbod van twee jaar op. Op wat de minister daartoe overweegt wordt hieronder – voor zover relevant – nader ingegaan.
Staat eiser in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat eiser door zijn politieke overtuiging niet in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Eiser heeft namelijk, in tegenstelling tot wat de minister concludeert, wel degelijk een sterke politieke overtuiging. Zijn familie ondervindt namelijk al sinds 1983, toen de grootschalige vervolging van Tamils in Sri Lanka begon, problemen vanwege hun Tamil-achtergrond. Hoewel eiser deze gebeurtenissen niet zelf heeft meegemaakt, werkt dit trauma generatie-overstijgend door. Daarnaast neemt eiser nu zelf actief en publiekelijk deel aan activiteiten die worden georganiseerd door verboden organisaties van de Eelam-beweging. Dat hij niet ‘prominent actief’ is voor Tamil-organisaties zoals de minister concludeert, is volgens eiser onjuist. De Sri Lankaanse autoriteiten hanteren namelijk een brede invulling van het begrip ‘prominent actief’. Hieronder valt ook al het uitkomen voor oprichting van een Tamil Eelam en het zichtbaar gebruik van symbolen die daarmee worden geassocieerd. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar het Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka (ambtsbericht) en een nieuwsartikel van Newswire. [3] Bovendien is het oproepen tot een Tamil Eelam, het gebruik van bepaalde symbolen die daarmee worden geassocieerd, en deelname aan demonstraties strafbaar gesteld onder de Prevention of Terrorism Act (PTA). Nu gezichtsherkenningstechnologie ook wordt toegepast in het kader van immigratie en emigratie, zal eiser bij terugkeer worden herkend, wat direct zal leiden tot vervolging. Tot slot stelt de minister ten onrechte dat niet valt in te zien dat eiser door de Sri Lankaanse ambassade wordt gemonitord. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat de Sri Lankaanse autoriteiten Tamil diaspora actief volgen en personen op zogeheten ‘watchlists’ plaatsen. De bewijslast mag daarbij niet zover worden opgerekt dat van eiser wordt verwacht dat hij concreet aantoont dat hij persoonlijk wordt gemonitord.
5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft en activiteiten heeft verricht in het kader van zijn politieke overtuiging. De vraag die in dit verband als eerste moet worden beantwoord is of eiser door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten.
5.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat tijdens de verslagperiode niet bekend is geworden of opposanten van de Sri Lankaanse autoriteiten in het buitenland worden gemonitord op sociale media en dat vooral prominente figuren van verboden Tamilorganisaties in het buitenland in de gaten werden gehouden. [4] De minister stelt dan ook terecht dat niet aannemelijk is dat eiser wordt gemonitord door de Sri Lankaanse autoriteiten of op een zogenoemde ‘watchlist’ staat. Eiser maakt namelijk geen gebruik van sociale media, waardoor zijn mening slechts een zeer beperkt publiek bereikt. Bovendien stelt de minister terecht dat het niet aannemelijk is dat eiser als ‘prominent actief’ wordt beschouwd door de Sri Lankaanse autoriteiten. Eiser heeft namelijk slechts marginale activiteiten uitgevoerd door aanwezig te zijn bij bijeenkomsten of af en toe ondersteunende taken uit te voeren bij demonstraties, zoals het vasthouden van spandoeken of het uitdelen van water. Dat eiser bij terugkeer direct zal worden herkend door gezichtsherkenningstechnologie, volgt de rechtbank dan ook niet. Bovendien volgt expliciet uit het ambtsbericht dat geen aanwijzingen bestaan dat de Sri Lankaanse autoriteiten gezichtsherkenningstechnologie gebruiken om terugkerende Tamils te herkennen die in het buitenland voor Tamil Eelam actief zijn geweest. [5]
Komt eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten te staan?
6. De volgende vraag die moet worden beantwoord is of eiser, als hij terugkeert naar Sri Lanka en zijn politieke overtuiging daar wil uiten, te vrezen heeft voor vervolging.
6.1.
Eiser betoogt dat de minister niet heeft onderbouwd hoe hij in Sri Lanka op een vergelijkbare wijze uiting zou kunnen blijven geven aan zijn politieke overtuiging, nu bekend is dat zowel het oproepen tot een Tamil Eelam als het gebruik van bepaalde symbolen strafbaar is gesteld en eiser bij elke door hem ondersteunde activiteit gebruik maakt van dergelijke symboliek. De minister kan dus niet volhouden dat eiser bij terugkeer slechts het risico loopt op een korte en eenmalige arrestatie. Bovendien volgt niet uit het ambtsbericht of de gearresteerde personen na hun vrijlating verdere overheidsbemoeienis hebben ervaren, of dat zij andere (strafrechtelijke) gevolgen hebben ondervonden van hun deelname aan dergelijke activiteiten.
6.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten zal komen te staan. Uit het ambtsbericht blijkt namelijk dat tijdens de verslagperiode veel minder op Tamils gerichte misstanden plaatsvonden, en dat de Tamil-bevolkingsgroep politiek actief is en politieke invloed uitoefent in Sri Lanka. [6] Ook blijkt dat oppositiegroeperingen over het algemeen vrij zijn om vreedzame activiteiten uit te voeren zonder problemen te krijgen van de zijde van de autoriteiten. Prominente Tamil-politici werden in een enkel geval bij een demonstratie gearresteerd maar vaak ook weer dezelfde dag vrijgelaten. Van grootschalige arrestaties en detentie van oppositieleden was tijdens de verslagperiode geen sprake. [7] De minister heeft in de voorgenomen activiteiten van eiser geen reden hoeven zien om gegronde vrees bij terugkeer aan te nemen. De rechtbank heeft hiervoor, onder 5.2, al geoordeeld dat de minister terecht heeft gesteld dat de politieke activiteiten van eiser niet als ‘prominent’ zijn aan te merken. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser door het uiten van zijn politieke overtuiging in Sri Lanka te vrezen zou hebben voor vervolging. Bovendien volgt uit het ambtsbericht dat tijdens de verslagperiode geen daadwerkelijke veroordelingen hebben plaatsgevonden op grond van de PTA. Eventuele arrestaties op grond van de PTA kwamen niet tot een formele aanklacht. [8] Het enkele feit dat uit het ambtsbericht niet volgt of zij ná hun vrijlating nog verdere overheidsbemoeienis hebben ervaren, maakt dit oordeel niet anders. Uit het ambtsbericht is immers ook niet op te maken dat zij wél problemen hebben ondervonden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Slaagt het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel?
7. Eiser betoogt dat in vergelijkbare asielzaken van Sri Lankanen, de minister heeft geconcludeerd dat deze personen hun politieke overtuiging niet zonder gegronde vrees in Sri Lanka kunnen uiten. Hiermee erkent de minister feitelijk dat het in de praktijk niet mogelijk is om je in Sri Lanka vrij en openlijk uit te spreken voor een Tamil Eelam. In de aanvullende beroepsgronden heeft eiser daarbij verzocht om de minuutop te vragen in één van deze zaken waar de minister wel een asielvergunning heeft verleend.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat eisers enkele verwijzing naar zaken waarin wél een asielvergunning is verleend, onvoldoende is voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het betoog van eiser dat hieruit zou blijken dat het enkele uitkomen voor de politieke overtuiging al voldoende reden kan zijn voor het toekennen van bescherming, volgt de rechtbank niet. De minister heeft op de zitting namelijk toegelicht dat in iedere asielzaak een individuele beoordeling wordt gemaakt en dat het feitencomplex in voorgaande zaken anders lag dan in onderhavige zaak. De rechtbank heeft daarom ook geen reden gezien om tegemoet te komen aan het verzoek van eiser om bij de minister de minuut in een van de zaken waarin wél een asielvergunning is verleend op te vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verzoek om heroverweging
8. Eiser betoogt dat de minister zijn verzoek om heroverweging van het besluit van 28 april 2023 niet heeft beoordeeld in overeenstemming met het informatiebericht.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister gelijktijdig met het besluit op de opvolgende aanvraag, ook een besluit op het verzoek tot heroverweging heeft genomen. De minister heeft daartoe overeenkomstig het informatiebericht twee verschillende beoordelingen gemaakt en in het bestreden besluit een dubbel dictum opgenomen. In de beoordeling van het verzoek om heroverweging is de minister inhoudelijk ingegaan op het door eiser nieuw overgelegde krantenartikel van de NRC. De minister heeft zich daarbij gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit dit krantenartikel niet volgt dat het voor eiser gevaarlijk zou zijn om aangifte te doen bij de Sri Lankaanse autoriteiten. Dit standpunt heeft eiser inhoudelijk niet gemotiveerd weersproken.
Inreisverbod
9. Eiser betoogt tot slot dat het opgelegde inreisverbod onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister heeft namelijk pas voor het eerst in het bestreden besluit beslist of afgezien moet worden van het opleggen van een inreisverbod gelet op eisers privéleven. Ook heeft de minister eiser tijdens het gehoor niet bevraagd over mogelijke redenen om van het opleggen van een inreisverbod af te zien.
9.1.
De rechtbank overweegt dat de minister in principe verplicht is om een inreisverbod op te leggen als een aanvraag kennelijk ongegrond is. [9] De minister kan hier om humanitaire of andere redenen van afzien. [10] Hieruit volgt volgens de rechtbank niet dat de minister al in het voornemen moet beoordelen of het opleggen van een inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM of dat hij hier eiser in het gehoor al over had moeten bevragen. Bovendien heeft de minister eiser in de gelegenheid gesteld om in de zienswijze op dit inreisverbod te reageren, en heeft de minister zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Informatiebericht 2025/6 Heroverweging bij opvolgende asielaanvragen.
3.Newswire, ‘Three arrested for promoting old LTTE heroes’ day content online’ (1 december 2024) en Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka (juni 2024).
4.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, p. 59-61, 68-69.
5.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, p. 66.
6.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, p. 29.
7.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, p. 56.
8.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, p. 32-33.
9.Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
10.Artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000.