Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een beslistermijn werd gesteld waarbinnen de minister een besluit moest nemen.
De minister heeft niet binnen de gestelde termijn een besluit genomen, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is verklaard. De rechtbank geeft de minister een nieuwe beslistermijn tot uiterlijk 9 juni 2025 en legt een dwangsom op van € 250,- per dag dat de minister deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, waaronder een bedrag van € 453,50 voor juridische bijstand en het griffierecht van € 194,-. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een zitting en benadrukt dat eiseres een verzetschrift kan indienen indien zij het niet eens is met deze uitspraak.