ECLI:NL:RBDHA:2024:9918
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang in terugvordering Ziektewet en Werkloosheidswet
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om een bedrag van €62.718,88 bruto terug te vorderen wegens onterecht genoten uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet in de periode van november 2021 tot juli 2023. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting en stelt vast dat het verzoek kennelijk ongegrond is.
De voorzieningenrechter benadrukt dat bij financiële geschillen alleen een voorlopige voorziening wordt getroffen als er sprake is van onverwijlde spoed, bijvoorbeeld een acute financiële noodsituatie. Verzoeker stelt dat hij sinds augustus 2023 geen inkomen meer heeft en door gezondheidsproblemen niet kan werken, terwijl hij geen recht heeft op een bijstandsuitkering vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Ondanks verzoek heeft verzoeker zijn financiële situatie niet met actuele stukken onderbouwd.
De bankafschriften die zijn overgelegd betreffen een periode tot eind 2021 en bieden geen inzicht in de huidige financiële nood. Bovendien is het volgens de Participatiewet mogelijk om ook zonder vaste woon- of verblijfplaats een bijstandsuitkering aan te vragen. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen sprake is van een acute noodsituatie of spoedeisend belang en wijst het verzoek af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.