ECLI:NL:RBDHA:2024:9527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
NL24.18046
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EU) Nr. 604/2013Art. 17 DublinverordeningECLI:EU:C:2019:218 (Jawo)
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-in behandeling neming asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 12 juni 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.

De rechtbank stelt vast dat Bulgarije inderdaad verantwoordelijk is, omdat eiser daar op 21 maart 2023 een asielaanvraag heeft ingediend en Bulgarije het terugnameverzoek van Nederland op 22 februari 2024 heeft aanvaard. Eiser voerde aan dat hij in Bulgarije mensonwaardig is behandeld, maar heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank benadrukt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat het aan eiser was om te bewijzen dat Bulgarije niet aan zijn verplichtingen voldoet. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024 bevestigt dat de beoordeling moet plaatsvinden op het moment van of na overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Eiser heeft geen reëel risico op ernstige schade aangetoond.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en hoeft de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18046
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Het is niet in geschil dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Uit Eurodac volgt namelijk dat eiser op 21 maart 2023 een asielaanvraag in Bulgarije heeft ingediend. Ook heeft Bulgarije het terugnameverzoek van Nederland op 22 februari 2024 aanvaard.
2. Eiser voert aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel een juridisch gegeven is, maar dat hij feitelijk op mensonwaardige wijze in Bulgarije werd behandeld. In dat verband verwijst hij naar zijn persoonlijke ervaringen waarover hij in het Dublingehoor van 21 februari 2024 heeft verklaard.
3. Ten aanzien van Bulgarije mag verweerder in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in meerdere, recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. [1] Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij is hierin niet geslaagd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 29 februari 2024 [2] in punt 64 geoordeeld dat bij de vraag of sprake is van een Jawo-situatie [3] de in aanmerking te nemen situatie is die waarin de betrokkene zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden, en niet die waarin hij zich bevond toen hij die lidstaat aanvankelijk betrad. Dat betekent dat het bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bepalend is of de Dublinterugkeerder een reëel risico loopt op ernstige schade bij of na de overdracht. Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Uit de jurisprudentie volgt tot slot dat, wanneer eiser vindt dat Bulgarije zich niet aan zijn verplichtingen houdt, eiser daarover kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten.
4. Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. [4]
5. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, van 23 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2152 en van 3 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2274.
2.ECLI:EU:C:2024:195
3.Een situatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo).
4.Verordening (EU) Nr. 604/2013.