ECLI:NL:RBDHA:2024:9489
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft op 1 juli 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel 'arbeid als zelfstandige'. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 22 augustus 2022 niet in behandeling genomen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft op 21 oktober 2022 op het bezwaar beslist, waardoor er geen bezwaar meer aanhangig is. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb, zonder zitting. Omdat het bezwaar is afgehandeld, wordt het verzoek gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan tijdens een beroep bij de bestuursrechter.
De rechtbank heeft inmiddels uitspraak gedaan in het beroep met zaaknummer AWB 22/6676, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een aanhangig bezwaar en kennelijke ongegrondheid.