Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:9382

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
18 juni 2024
Zaaknummer
C/09/667271 / KG RK 24-839
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid kantonrechter

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter vanwege het weigeren van een derde uitstel van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak, waarin verzoeker wegens ziekte niet aanwezig kon zijn.

De wrakingskamer oordeelt dat een beslissing over het al dan niet verplaatsen van een zitting een procedurele beslissing is die niet als grond voor wraking kan dienen, tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Deze schijn is niet gebleken, mede omdat het niet ongebruikelijk is dat een derde uitstelverzoek wordt afgewezen om de voortgang van de procedure te waarborgen.

De wrakingskamer concludeert dat de kantonrechter geen blijk heeft gegeven van vooringenomenheid en wijst het wrakingsverzoek af. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2024/50
zaak- /rekestnummer: C/09/667271 / KG RK 24-839
Beslissing van 18 juni 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.E. Groeneveld-Stubbe,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 4 juni 2024 een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 10846620 / RP VERZ 23-50705 tussen verzoeker en de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid), hierna: de hoofdzaak. In de hoofdzaak heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak zou plaatsvinden op 4 juni 2024.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
“Hierbij wraak ik de rechter in de bovengenoemde zaak.
Vanwege ziekte kan ik niet aanwezig zijn bij de mondelinge behandeling en heb verzocht een nieuwe datum te plannen.
Deze rechter weigert de zaak aan te houden en een nieuwe datum te plannen.
Ziekte is een legitieme reden om uitstel te vragen.
Deze rechter heeft via de mail van [naam] laten weten de mondelingen behandeling door te laten gaan.
De rechter verwijst dat er geen onderbouwing van ziekte is. Toch heb ik aangegeven dat de Ziekte van Crohn opleeft, hoofdpijn met steken in het hoofd, constant moeten braken, en vlekken voor de ogen krijg, daarnaast is de woordenschat ingekrompen, dit is het gevolg, de naweeën van een herseninfarct en komt op zulke momenten naar boven.
(…)
Hiermee wordt mij, door deze rechter de grondbeginselen van goede rechtspraak ontnomen, hoor en wederhoor.”

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Naar de wrakingskamer uit het wrakingsverzoek begrijpt is verzoeker van mening dat de kantonrechter vooringenomen is, omdat zij weigert de mondelinge behandeling van de hoofdzaak te verplaatsen.
3.3.
Een beslissing om een zitting al dan niet te verplaatsen is een procedurele rechterlijke beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Alleen als de motivering van die (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Dat hiervan sprake is, is echter niet gebleken. Het is niet ongebruikelijk dat als een zitting al twee keer eerder is uitgesteld wegens ziekte van verzoeker een derde uitstelverzoek wordt afgewezen. De kantonrechter dient immers ook toe te zien op een vlotte voortgang van de procedure. De wrakingskamer is van oordeel dat de kantonrechter met deze procedurele beslissing geen blijk heeft gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid en zal het wrakingsverzoek daarom afwijzen.
3.4.
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en S.M. Westerhuis-Evers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.