ECLI:NL:RBDHA:2024:9268
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na afwijzing verblijfsvergunning
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 3 april 2024 het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening afgewezen. Dit verzoek was gedaan in het kader van een beroep tegen het besluit van 5 maart 2024 van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarin de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure als kennelijk ongegrond werd afgewezen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met het beroep op 26 maart 2024 tijdens een zitting waar verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris aanwezig waren. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Op grond hiervan werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.E.M. van Abbe en griffier E. Kersten en is in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep op het bestreden besluit is behandeld.