Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
Stichting [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
Inleiding
30 augustus 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Overgangsrecht
Waarover gaat deze zaak?
Procesbelang?
Mocht verweerder verder kijken dan de sloop van de muur?
- De geplande afscheiding tussen de tuin van [adres 4] en de daarachter voorziene parkeerplaatsen vormt geen rechte lijn (er zit een knik in).
- De uitvoering van de afscheiding (met groen in plaats van met een muur) stuit op bezwaren.
De knik en de haag
1 september 2022 (waarin de gevraagde omgevingsvergunning is verleend), geeft de commissie aan eerder te hebben ingestemd met het verwijderen van het niet-monumentale deel van de tuinmuur, “maar niet met de voorgestelde aanheling”. Een gemetselde muur past volgens de commissie beter in de historische setting en bij het monument. De adviseur monumentenzorg van de gemeente geeft, in een reactie op het tegenadvies, aan dat het oudste restant van de tuinmuur niet op zichzelf kan worden gezien. Verweerder geeft verder in zijn verweerschrift aan dat eiseres onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat ter hoogte van de haag eerder geen tuinmuur heeft gestaan. Een haag vormt volgens verweerder geen logisch doorlopend geheel met de gehandhaafde historische muur. Verweerder wijst er daarbij op dat de bestaande historische muur vrijwel zeker stamt uit omstreeks 1832 en dat er in die periode ter hoogte van de geplande haag een tuinkamer stond. Om die reden is het volgens verweerder historisch gezien vrijwel zeker dat sprake zal zijn geweest van een gemetselde afscheiding tussen de percelen.
In de Toelichting op het Rijksbeschermd stadsgezicht staat dat tuinmuren, veelal voorzien van poorten of hekwerken de scheiding met de openbare ruimte vormen. Hiermee is echter niets gezegd over de afscheiding tussen de te onderscheiden percelen. Uit de door verweerder in het verweerschrift opgenomen kadastrale kaart uit 1832 valt niet met zekerheid op te maken dat de tuinkamer aansloot op de historische muur die er nu nog staat. Evenmin valt hieruit op te maken van welke materialen de tuinkamer was gemaakt. Afbeeldingen van de tuinkamer heeft verweerder niet ingebracht en verweerder en zijn adviseurs hebben ook niet toegelicht waarom het waarschijnlijker is dat de tuinkamer was opgebouwd uit gemetselde muren dan bijvoorbeeld uit hout en/of glas. Ook heeft verweerder niet gesteld dat bij de bestaande historische muur aanwijzingen zijn te vinden waaruit kan worden afgeleid dat deze – op de plek waar eiseres de haag wil – eerder verbonden is geweest met een gemetselde muur. Tot slot blijkt uit geen van de stukken dat ten tijde van oprichting van de historische muur ter afscheiding geen gebruik werd gemaakt van groene hagen. Onduidelijk blijft dan ook waarom de historische muur niet, zoals eiseres stelt, op zichzelf zou kunnen worden gezien en waarom een groene afscheiding niet binnen de historische setting en bij het monument zou passen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
J.M. Lo A Njoe, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.