ECLI:NL:RBDHA:2024:8985
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening uitschrijving werkzoekende wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 12 maart 2024 waarbij hij werd uitgeschreven als werkzoekende omdat hij geen geldige verblijfsvergunning heeft waarmee hij in Nederland mag werken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en stelt dat hij zelf in zijn levensonderhoud wil voorzien door te werken en geen aanspraak wil maken op een uitkering.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht zijn spoedeisend belang te onderbouwen, waaronder de vraag of hij al een bijstandsaanvraag had gedaan. Verzoeker gaf aan dat hij geen bijstandsuitkering heeft aangevraagd omdat hij volgens de Immigratie- en Naturalisatiedienst geen rechthebbende is. Hij is bereid na afloop van een WW-uitkering van drie maanden een bijstandsuitkering aan te vragen. Tevens beschikt verzoeker over spaargeld waarmee hij zijn levensonderhoud kan voorzien.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van een acute noodsituatie of onomkeerbare situatie die een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoeker heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd met stukken. Het feit dat hij pas na afloop van een WW-uitkering stappen wil ondernemen voor een bijstandsuitkering, wekt bovendien bevreemding. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.