Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Het lichter middel
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 4 april 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel werd genomen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank constateerde dat de staatssecretaris bij de uitreiking van de maatregel niet schriftelijk en in een begrijpelijke taal aan eiser de redenen van bewaring had meegedeeld, wat een schending van artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opleverde. Desondanks oordeelde de rechtbank dat deze schending niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat eiser voorafgaand aan de bewaring met behulp van een tolk al was geïnformeerd over de gronden.
De staatssecretaris motiveerde de bewaring met zware gronden, waaronder het ontbreken van een geldig reisdocument en het ontduiken van toezicht door vertrek uit opvanglocaties. De rechtbank achtte deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Het beroep op een lichter middel werd verworpen, mede gelet op het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en het ontbreken van middelen voor uitreis.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.