De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening. De minderjarige was sinds februari 2024 onder toezicht gesteld en tijdelijk uit huis geplaatst. De moeder verzet zich tegen de uithuisplaatsing en verzoekt onder meer om uitbreiding van omgang en vervanging van de gecertificeerde instelling.
De rechtbank constateert dat de situatie rondom de minderjarige en de moeder niet is verbeterd, mede door de acute stressstoornis van de moeder en haar grensoverschrijdend gedrag, wat de omgang en hulpverlening bemoeilijkt. Er zijn incidenten geweest die geleid hebben tot het stopzetten van de begeleide omgang. De moeder verblijft tijdelijk in een hotel en wacht op maatschappelijke opvang.
De rechtbank oordeelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft in het belang van de minderjarige, die een stabiele opvoedomgeving nodig heeft. Een persoonlijkheidsonderzoek naar de moeder wordt overwogen om inzicht te krijgen in haar mogelijkheden tot terugplaatsing. De verzoeken van de moeder tot uitbreiding van omgang en vervanging van de gecertificeerde instelling worden afgewezen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 22 augustus 2024 en uitvoerbaar verklaard bij voorraad.