ECLI:NL:RBDHA:2024:8885
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar in Algerije
Eiser, een Algerijnse staatsburger, diende op 26 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 22 februari 2024 af wegens gebrek aan aannemelijkheid van vervolgingsgevaar en medische noodzaak. De rechtbank behandelde het beroep op 21 maart 2024 en oordeelde dat het beroep ongegrond is.
Eiser stelde dat hij problemen ondervond in Algerije vanwege een niet-terugbetaalde geldlening en daardoor bedreigd werd. De staatssecretaris achtte het aannemelijk dat een lening was aangegaan, maar niet dat dit leidde tot vervolging of een reëel gevaar. De rechtbank vond de verklaringen van eiser vaag en summier, met onvoldoende onderbouwing en geen overtuigende documenten.
Ook de medische situatie van eiser, die longfoto’s uit 2019 overlegd had, gaf geen aanleiding tot verblijf in Nederland. Er was geen spoedeisendheid of onomkeerbare achteruitgang en eiser had sinds 2020 in Frankrijk en Zwitserland gewoond en gewerkt. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht was genomen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.