ECLI:NL:RBDHA:2024:8672
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet tijdig beslissen op asielaanvraag leidt tot niet-ontvankelijkheid beroep en proceskostenvergoeding
Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 31 augustus 2022. Inmiddels had de staatssecretaris de asielaanvraag op 9 januari 2024 ingewilligd. Hierdoor was het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen feitelijk komen te vervallen, waardoor het procesbelang ontbrak.
Eiser handhaafde het beroep voor zover het ging om de vraag of de staatssecretaris bestuurlijke dwangsommen verschuldigd was. De rechtbank oordeelde dat op grond van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen en de toepasselijke artikelen van de Awb geen bestuurlijke dwangsommen kunnen worden opgelegd bij asielbesluiten. Dit werd bevestigd door een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50, omdat het beroep terecht was ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. De uitspraak werd gedaan door rechter S.E. van de Merbel en griffier E.C. Jacobs op 30 mei 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 437,50.