Eiseres, met vermeende Zimbabwaanse nationaliteit, diende op 24 april 2024 een asielaanvraag in bij aankomst in Nederland. Tegelijkertijd werd aan haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde dat de maatregel opgeheven had moeten worden vanwege het tijdig indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en beriep zich op het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening niet betekent dat de grensdetentie moet worden opgeheven. De tekst in de rechtsmiddelenclausule houdt slechts in dat eiseres niet uit Nederland wordt verwijderd zolang op het verzoek wordt beslist. Het grensbewakingsbelang blijft daarmee gewaarborgd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.
Daarnaast voerde eiseres aan dat haar gezondheid en emotionele toestand aanleiding gaven voor een lichter middel. De rechtbank stelt vast dat geen medische onderbouwing is geleverd die detentieongeschiktheid aantoont. Een incident met suïcide dreiging is adequaat opgevolgd door medische diensten. Het grensbewakingsbelang vereist een vrijheidsontnemende maatregel, een lichter middel zou dit ondermijnen.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en voortgezet, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.